adjective
vlak, plat, ondiep
B1
Bijvoeglijk naamwoord: flach betekent ‘vlak’ of ‘ondiep’ en wordt gebruikt voor oppervlakken, terrein of water. Het wordt normaal vergeleken: flacher, am flachsten. Veelgebruikte tegenstellingen zijn tief en steil. Het is geen voltooid deelwoord.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Das Brett ist ganz flach, deshalb passt es gut als Regal.
De plank is helemaal vlak, dus hij werkt goed als plank.
Der neue Teppich war flach, obwohl die Besucher oft darauf saßen, sodass er schnell unansehnlich wurde.
Het nieuwe tapijt was plat, hoewel bezoekers er vaak op zaten, waardoor het snel onooglijk werd.
Der Teich ist an dieser Stelle sehr flach, man kann den Grund sehen.
De vijver is hier erg ondiep; je kunt de bodem zien.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een pannenkoek voor: heel plat, zonder hoogte — dat helpt om ‘flach’ te onthouden.
Klinkt als ‘flack’ — stel je iets voor dat plat op de grond ‘flackt’.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Veelvoorkomend beschrijvend bijvoeglijk naamwoord. Gebruikt voor zowel fysieke vlakheid als figuurlijke contexten (bijv. een vlakke stem).