adjective
steil, schuin, steil oplopend
B1
steil betekent ‘steil, scherp hellend’. Het is een gradabel bijvoeglijk naamwoord: steiler, am steilsten. Tegenovergestelde: flach. Gebruik voor hellingen, daken en ook figuurlijk, bv. eine steile Lernkurve. Gewone verbuiging.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Die Straße war so steil, dass der Radfahrer absteigen musste, weil die Bremsen nicht richtig funktionierten.
De weg was zo steil dat de fietser moest afstappen omdat de remmen niet goed werkten.
Die Straße ist sehr steil, also fahre langsam.
De weg is erg steil, dus rijd langzaam.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een steile klif voor die scherp omhoog rijst.
denk aan ‘steal’, maar stel je iemand voor die een steile heuvel beklimt — niet aan het stelen.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Steil is trapbaar (steil, steiler, am steilsten). Vaak gebruikt voor hellingen, daken en leercurves (figuurlijk gebruik).