Obst

noun
fruit
A1

Obst is een onzijdig verzamelnaamwoord en betekent ‘fruit’ in algemene zin. Het is niet-telbaar: das Obst, genitief des Obsts. Een echte meervoudsvorm wordt bijna niet gebruikt; je zegt liever Obstsorten of noemt losse vruchten apart.

Voorbeelden

Ich esse gern Obst.
Ik eet graag fruit.
Obst ist gesund und enthält viele Vitamine.
Fruit is gezond en bevat veel vitamines.
Die Marktfrau sagte, dass sie gestern viel Obst verkaufte, weil das Wetter schön war.
De marktvrouw zei dat ze gisteren veel fruit had verkocht, omdat het mooi weer was.

Details

MeervoudObstsorten

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativedas Obstnot applicable
genitivedes Obstsnot applicable
dativedem Obstnot applicable
accusativedas Obstnot applicable

Ezelsbruggetjes

👁️Een kom vol appels en bananen met het label ‘Obst’.
⚧️das — stel je een neutrale mand voor met het label ‘das Obst’ en gemengd fruit.

Opmerkingen

Een voorzetsel met twee gebruikswijzen: voor bestemming («naar») en tijd («na»). Bij richting wordt het vaak met plaatsnamen zonder lidwoord gebruikt; in temporele betekenis staat het met de datief. | Alleen enkelvoudig zelfstandig naamwoord; meervoudsvormen zijn niet van toepassing.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek