noun
fruit
A1
Obst is een onzijdig verzamelnaamwoord en betekent ‘fruit’ in algemene zin. Het is niet-telbaar: das Obst, genitief des Obsts. Een echte meervoudsvorm wordt bijna niet gebruikt; je zegt liever Obstsorten of noemt losse vruchten apart.
Voorbeelden
Ich esse gern Obst.
Ik eet graag fruit.
Obst ist gesund und enthält viele Vitamine.
Fruit is gezond en bevat veel vitamines.
Die Marktfrau sagte, dass sie gestern viel Obst verkaufte, weil das Wetter schön war.
De marktvrouw zei dat ze gisteren veel fruit had verkocht, omdat het mooi weer was.
Details
Ezelsbruggetjes
Een kom vol appels en bananen met het label ‘Obst’.
das — stel je een neutrale mand voor met het label ‘das Obst’ en gemengd fruit.
Opmerkingen
Een voorzetsel met twee gebruikswijzen: voor bestemming («naar») en tijd («na»). Bij richting wordt het vaak met plaatsnamen zonder lidwoord gebruikt; in temporele betekenis staat het met de datief. | Alleen enkelvoudig zelfstandig naamwoord; meervoudsvormen zijn niet van toepassing.