noun
oven, fornuis
B1
Ofen is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent ‘oven’ of, afhankelijk van de context, ‘kachel’. Enkelvoud: der Ofen, meervoud Öfen met umlaut en -en. Verbuiging: des Ofens, dem Ofen. Veel gebruikt voor kook- en verwarmingsapparaten.
Voorbeelden
Der Kuchen ist im Ofen.
De cake staat in de oven.
Der Braten muss noch eine Stunde im Ofen bleiben.
De braadstuk moet nog een uur in de oven blijven.
Die Pizza lag im Ofen, weil niemand die Tür geöffnet hatte.
De pizza lag in de oven omdat niemand de deur had geopend.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een hete oven voor met een brood erin en het label ‘Der Ofen’ op de deur.
Klinkt als het Engelse ‘oven’, alleen de Duitse uitspraak onthouden.
der (mannelijk) Ofen — stel je een stoere bakker (man) trots naast de oven voor om ‘der’ te onthouden.
Opmerkingen
Het meervoud van Ofen is Öfen. Een veelvoorkomend alledaags woord voor koken en verwarmen. De stam krijgt een -s in de genitief enkelvoud (des Ofens).