verb
noemen, heten
A2
nennen betekent „noemen”, „benoemen” of „iemand iets noemen”. Het is een regelmatig zwak werkwoord met haben in het perfectum: hat genannt. Het is transitief en vraagt de accusatief (jemanden/etwas nennen). Vaak met als in de betekenis „iemand X noemen”. Niet-reflexief en niet-scheidbaar.
Voorbeelden
Sie hat ihm die Adresse genannt.
Ze gaf hem het adres.
Der Bürgermeister nannte das Projekt wichtig, obwohl viele Bürger Bedenken äußerten.
De burgemeester noemde het project belangrijk, hoewel veel burgers bezwaren uitten.
Er nannte seinen Preis.
Hij noemde zijn prijs.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat iemand wijst en de naam hardop zegt: «Ich nenne ihn Tom.»
klinkt als het Engelse «name» (nennen ~ name) — denk aan «noemen»