noun
lengte, uitgestrektheid
B1
Länge (v.) betekent ‘lengte’ of ‘uitgestrektheid’, zowel letterlijk (maat, afstand) als figuurlijk (duur, omvang). Meervoud: Längen. Vrouwelijk zelfstandig naamwoord met gewone verbuiging: die Länge, der Länge. Handige uitdrukking: in die Länge ziehen = rekken, uitstellen.
Voorbeelden
Die Länge des Tisches ist zwei Meter.
De lengte van de tafel is twee meter.
In ihrer Länge unterscheiden sich die beiden Rohre kaum.
Qua lengte verschillen de twee buizen nauwelijks.
Die Länge des Tisches beträgt zwei Meter.
De lengte van de tafel is twee meter.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een meetlint voor dat langs het object is uitgestrekt om de Länge te tonen.
Klinkt als het Engelse „length” — bijna identieke uitspraak.
die: veel Duitse woorden op -e zijn vrouwelijk — stel je een lint (vrouwelijk beeld) voor dat de lengte meet.