noun
landbouw
B1
Vrouwelijk zelfstandig naamwoord voor ‘landbouw’ of de agrarische sector: teelt, veeteelt en alles wat daarbij hoort. Meestal als verzamelnaam in het enkelvoud: die Landwirtschaft. Meervoud Landwirtschaften voor afzonderlijke systemen of bedrijven.
Voorbeelden
Da in der Landwirtschaft viele Arbeitskräfte fehlten, investierte der Betrieb in neue Maschinen, damit die Ernte rechtzeitig eingefahren werden konnte.
Omdat er in de landbouw veel arbeidskrachten ontbraken, investeerde het bedrijf in nieuwe machines zodat de oogst op tijd kon worden binnengehaald.
Die Landwirtschaft ist ein wichtiger Wirtschaftszweig in dieser Region.
De landbouw is een belangrijke economische sector in deze regio.
Die Landwirtschaft ist wichtig für die Ernährungssicherheit.
Landbouw is belangrijk voor de voedselzekerheid.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je velden en tractoren voor met een bord ‘Landwirtschaft’.
Land + wirtschaft = land + ‘economie’ — denk aan ‘landeconomie’ = landbouw
Die Landwirtschaft — vrouwelijk: onthoud ‘die’ voor grote sectoren zoals ‘die Industrie’, ‘die Landwirtschaft’
Opmerkingen
Wordt vaak gebruikt als een niet-telbaar zelfstandig naamwoord voor de agrarische sector; meervoudsvormen bestaan, maar komen minder vaak voor.