noun
verhouding, relatie, ratio
B1
Verhältnis, het, betekent ‘verhouding’, ‘relatie’ of ‘proportie’. Meervoud: Verhältnisse. Vaak gebruikt in de uitdrukking im Verhältnis zu = ‘in verhouding tot’. In de spreektaal kan het ook een liefdesrelatie of affaire betekenen.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Das Verhältnis ist gut.
De relatie is goed.
Ihr Verhältnis zu ihrem Bruder ist sehr eng.
Haar relatie met haar broer is heel hecht.
Die Führungskraft beurteilte das Verhältnis der Mitarbeiter zueinander, weil es die Zusammenarbeit beeinflusste.
De leidinggevende beoordeelde de onderlinge verhouding tussen de medewerkers, omdat die de samenwerking beïnvloedde.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een weegschaal voor met het label ‘Verhältnis’ die twee dingen vergelijkt — een duidelijk beeld voor zowel ‘relatie’ als ‘verhouding’.
Klinkt een beetje als ‘fair tennis’ — stel je twee mensen voor die tennissen om twee kanten van een relatie te vertegenwoordigen.
Onzijdig: das Verhältnis — stel je een neutrale grijze weegschaal voor met een ‘das’-sticker erop.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Verhältnis kan een sociale relatie of een wiskundige verhouding betekenen; de context bepaalt de betekenis. In sommige contexten kan het ook ‘omstandigheden’ betekenen (bijv. ‘unter diesen Verhältnissen’).