noun
carnaval
B1
Karneval betekent ‘carnaval’: de feestperiode vóór de vastentijd, met optochten, verkleedpartijen en feesten. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Karneval. Meervoud: Karnevale; genitief enkelvoud: des Karnevals. Vooral sterk in regionale tradities, zoals in Keulen en Mainz.
Voorbeelden
In Köln wird Karneval groß gefeiert.
In Keulen wordt carnaval groots gevierd.
Im Karneval tragen viele Menschen bunte Kostüme und feiern auf der Straße.
Tijdens carnaval dragen veel mensen kleurrijke kostuums en vieren ze feest op straat.
Viele Besucher genossen den Karneval, obwohl das Wetter schlecht war.
Veel bezoekers genoten van het carnaval, hoewel het weer slecht was.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een straat voor vol kleurrijke kostuums en praalwagens met het label ‘Karneval’.
Klinkt als het Engelse ‘carnival’ — hetzelfde feestidee.
der (mannelijk) — stel je een grote mannelijke paradeleider voor met ‘der’ op zijn sjerp.
Opmerkingen
Karneval is een regionale en culturele feestterm; in sommige regio’s heet het ook ‘Fasching’ of ‘Fastnacht’. Het meervoud is vaak Karnevale of Karnevals.