verb
stukmaken, kapotmaken, vernielen
B1
kaputtmachen is een scheidbaar en overgankelijk werkwoord: ‘kapotmaken’, ‘vernielen’, ‘beschadigen’. In de tegenwoordige tijd: du machst ... kaputt; perfect: hast kaputtgemacht. Het is een zwak werkwoord, niet wederkerend. Veelgebruikt in spreektaal en ook figuurlijk.
Voorbeelden
Ich habe das nicht kaputtgemacht.
Ik heb dat niet kapotgemaakt.
Ich mache nichts kaputt.
Ik zal niets kapotmaken.
Bitte mach das nicht kaputt!
Maak dat alsjeblieft niet kapot!
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die op een rode knop met het label ‘kaputtmachen’ drukt en een voorwerp kapotmaakt.
Denk aan ‘kaput’ + ‘make’ — iets kaput (stuk) maken.
Opmerkingen
kaputtmachen is scheidbaar: in hoofdzinnen gaat het voorvoegsel naar het einde (ich mache das kaputt). In het perfectum gebruikt het haben als hulpwerkwoord: hat kaputtgemacht.