kaputt

adjective
kapot, stuk, defect
A1

kaputt is een informeel bijvoeglijk naamwoord en betekent ‘kapot’, ‘stuk’ of ‘defect’. In de omgangstaal ook: ‘uitgeput’ — Ich bin kaputt. Niet vergelijkbaar in graden. Tegenovergesteld: heil, ganz. Meestal predicatief: Das Handy ist kaputt.

Voorbeelden

Der Stuhl ist kaputt.
De stoel is kapot.
Die Maschine blieb kaputt, weil das Ersatzteil fehlte.
De machine bleef kapot omdat het reserveonderdeel ontbrak.

Details

VergelijkbaarNee
Voltooid deelwoordNee