verb
joggen, hardlopen
A2
joggen betekent ‘joggen’ of ‘hardlopen voor de sport’. Het is een regelmatig, zwak en niet-reflexief werkwoord; hulpwerkwoord haben, voltooid deelwoord gejoggt: ich habe gejoggt. Tegenwoordige tijd: ich jogge, du joggst, ihr joggt.
Voorbeelden
Am Wochenende jogge ich jeden Morgen im Park.
In het weekend ga ik elke ochtend joggen in het park.
Ich bin heute Morgen gejoggt.
Ik heb vanmorgen gejogd.
Sie joggte im Park.
Ze jogde in het park.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor in hardloopschoenen met ‘JOGGEN’ op zijn shirt.
Klinkt als ‘jog in’ — stel je voor dat je een park in jogt.
Opmerkingen
Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing. De formele gebiedende wijs (Sie) wordt hier niet weergegeven omdat die het voornaamwoord «Sie» vereist, en voornaamwoorden zijn niet toegestaan in vervoegingswaarden.