joggen

verb
joggen, hardlopen
A2

joggen betekent ‘joggen’ of ‘hardlopen voor de sport’. Het is een regelmatig, zwak en niet-reflexief werkwoord; hulpwerkwoord haben, voltooid deelwoord gejoggt: ich habe gejoggt. Tegenwoordige tijd: ich jogge, du joggst, ihr joggt.

Voorbeelden

Am Wochenende jogge ich jeden Morgen im Park.
In het weekend ga ik elke ochtend joggen in het park.
Ich bin heute Morgen gejoggt.
Ik heb vanmorgen gejogd.
Sie joggte im Park.
Ze jogde in het park.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es joggt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es joggte
Perfekter/sie/es hat gejoggt

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je iemand voor in hardloopschoenen met ‘JOGGEN’ op zijn shirt.
👂Klinkt als ‘jog in’ — stel je voor dat je een park in jogt.

Opmerkingen

Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing. De formele gebiedende wijs (Sie) wordt hier niet weergegeven omdat die het voornaamwoord «Sie» vereist, en voornaamwoorden zijn niet toegestaan in vervoegingswaarden.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichjogge
dujoggst
er/sie/esjoggt
wirjoggen
ihrjoggt
sie/Siejoggen
ichjogge
dujoggest
er/sie/esjogge
wirjoggen
ihrjogget
sie/Siejoggen
ichwürde joggen
duwürdest joggen
er/sie/eswürde joggen
wirwürden joggen
ihrwürdet joggen
sie/Siewürden joggen
dujogge
ihrjoggt
Sienot applicable