noun
baan, job, werk
A1
Job is een mannelijk leenwoord uit het Engels en betekent ‘baan’, ‘job’ of ‘werk’, meestal in informele context. Meervoud: Jobs. Genitief enkelvoud: des Jobs, datief meervoud: den Jobs. Formeler gebruik je liever Beruf of Arbeit.
Voorbeelden
Er hat einen neuen Job gefunden.
Hij heeft een nieuwe baan gevonden.
Ich habe einen Job.
Ik heb een baan.
Er kündigte den Job, weil er bessere Chancen im Ausland sah.
Hij nam ontslag omdat hij betere kansen in het buitenland zag.
Details
Ezelsbruggetjes
Visualiseer een aktetas met het label 'der Job' om het mannelijke geslacht te onthouden
hetzelfde als Engels 'job'
Opmerkingen
Anglicisme dat vaak in het Duits wordt gebruikt; meervoud: «Jobs».