noun
vrijdag
A1
„Freitag” betekent „vrijdag”. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Freitag, meervoud die Freitage. Voor een dag van de week gebruik je meestal „am Freitag”. In het Duits krijgen weekdagen een hoofdletter. Genitief: des Freitags.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Am Freitag habe ich frei.
Op vrijdag ben ik vrij.
Am Freitag gehe ich ins Kino.
Vrijdag ga ik naar de bioscoop.
Am Freitag sagte der Lehrer den Ausflug ab, weil das Wetter sehr schlecht war.
Op vrijdag annuleerde de leraar het uitstapje omdat het weer erg slecht was.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een kalender voor met ‘Freitag’ omcirkeld als het einde van de werkweek
klinkt heel erg als het Engelse ‘Friday’
der = denk aan ‘der Tag’ (de dag) — dagen zijn mannelijk: ‘der Freitag’
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Woord voor een weekdag; dagen van de week zijn mannelijk in het Duits.