Freitag

noun
vrijdag
A1

„Freitag” betekent „vrijdag”. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Freitag, meervoud die Freitage. Voor een dag van de week gebruik je meestal „am Freitag”. In het Duits krijgen weekdagen een hoofdletter. Genitief: des Freitags.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Am Freitag habe ich frei.
Op vrijdag ben ik vrij.
Am Freitag gehe ich ins Kino.
Vrijdag ga ik naar de bioscoop.
Am Freitag sagte der Lehrer den Ausflug ab, weil das Wetter sehr schlecht war.
Op vrijdag annuleerde de leraar het uitstapje omdat het weer erg slecht was.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.PLURALFreitage

VOCABULARY.DETAILS.DECLENSION

VOCABULARY.DETAILS.CASEVOCABULARY.DETAILS.SINGULARVOCABULARY.DETAILS.PLURAL
nominativeder Freitagdie Freitage
genitivedes Freitagsder Freitage
dativedem Freitagden Freitagen
accusativeden Freitagdie Freitage

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je een kalender voor met ‘Freitag’ omcirkeld als het einde van de werkweek
👂klinkt heel erg als het Engelse ‘Friday’
⚧️der = denk aan ‘der Tag’ (de dag) — dagen zijn mannelijk: ‘der Freitag’

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Woord voor een weekdag; dagen van de week zijn mannelijk in het Duits.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS