Import

noun
import, invoer
B1

Import (m.) betekent „import”, dus het binnenbrengen van goederen of gegevens in een land of systeem. Meervoud: Importe. Mannelijk zelfstandig naamwoord: der Import, des Imports. Veel gebruikt in handel, economie en informatica; het is een zelfstandig naamwoord, geen werkwoord.

Voorbeelden

Der Import ist wichtig.
De import is belangrijk.
Die Firma meldete einen Import von 100 Tonnen Stahl diesen Monat.
Het bedrijf meldde deze maand een import van 100 ton staal.
Der Import von Elektronikgeräten hat in letzter Zeit zugenommen.
De import van elektronische apparaten is de laatste tijd toegenomen.

Details

MeervoudImporte

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativeder Importdie Importe
genitivedes Importsder Importe
dativedem Importden Importen
accusativeden Importdie Importe

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een vrachtschip voor dat aankomt met een groot label ‘Import’.
👂Lijkt op het Engelse ‘import’ — dezelfde betekenis.
⚧️Mannelijk: gebruik ‘der’ (der Import).

Opmerkingen

Import is een mannelijk zelfstandig naamwoord dat vaak in zakelijke contexten wordt gebruikt. Meervoud: Importe.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek