adverb
altijd
A1
Bijwoord van frequentie: „altijd”. Het drukt een gewoonte, herhaling of voortdurende toestand uit, bv. Er ist immer pünktlich. Het verandert niet, krijgt geen naamval en staat zonder voorzetsel.
Voorbeelden
Der Fahrer fuhr immer schneller, obwohl die Straßenverhältnisse schlecht waren, sodass ein Unfall beinahe passierte.
De bestuurder reed steeds sneller, hoewel de wegomstandigheden slecht waren, zodat er bijna een ongeluk gebeurde.
Ich bin immer pünktlich.
Ik ben altijd op tijd.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een klok voor die altijd dezelfde tijd aanwijst — hij is steeds hetzelfde, „immer”
klinkt als „immer” ~ „immer” (Engels heeft geen exacte tegenhanger) — denk aan „I'm-err” -> altijd aanwezig
Opmerkingen
Veelgebruikt bijwoord van frequentie dat in veel alledaagse contexten voorkomt.