pronoun
jullie
A1
ihr is het persoonlijke voornaamwoord van de 2e persoon meervoud, informeel: „jullie”. Het staat in de nominatief als onderwerp, bijvoorbeeld Ihr seid hier. Niet te verwarren met het beleefde Sie of het enkelvoud du. Het bezittelijk voornaamwoord is euer.
Voorbeelden
Der Kollege gab ihr die Unterlagen, damit sie die Ergebnisse prüfen konnte, nachdem die Besprechung beendet war.
De collega gaf haar de documenten, zodat ze de resultaten kon controleren nadat de vergadering was afgelopen.
Kommt ihr später?
Komen jullie later?
Details
Ezelsbruggetjes
een kleine groep mensen wijst naar het publiek en zegt samen: «jullie allemaal»
klinkt als Engels «ear» (ihr)