pronoun
hem, aan hem
A1
ihm is de datiefvorm van het persoonlijk voornaamwoord van de derde persoon enkelvoud mannelijk (er). Het betekent ‘hem’ of ‘aan hem’ als meewerkend voorwerp, of na een datiefvaste prepositie. Bijbehorende vormen: er, ihn, seiner.
Voorbeelden
Hast du ihm schon Bescheid gesagt?
Heb je het hem al gezegd?
Ich gebe ihm das Buch.
Ik geef hem het boek.
Der Arzt gab ihm die Medikamente, weil sein Zustand sich verschlechterte.
De arts gaf hem de medicijnen omdat zijn toestand verslechterde.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je iets aan een man geeft en denkt: ‘ich gebe es ihm’ (ik geef het aan hem).
Denk aan Engels ‘him’, maar met een ‘i’-klank — ‘ihm’ is de datiefvorm van ‘er’.
Opmerkingen
‘ihm’ is de datiefvorm van het derde-persoons mannelijke/neutrale voornaamwoord ‘er’.