pronoun
haar
A1
„ihr” is hier een bezittelijk voornaamwoord en betekent „haar” of „van haar” bij een vrouwelijke persoon: ihr Buch = haar boek. Het wordt verbogen naar geslacht, naamval en getal. Let op: dezelfde vorm kan ook „aan haar” of „jullie” betekenen.
Voorbeelden
Die Aufgabe wurde ihr übertragen, obwohl sie zuvor viele Projekte betreute.
De taak werd aan haar toegewezen, hoewel ze eerder veel projecten had begeleid.
Ist das ihr Buch?
Is dat haar boek?
Details
Ezelsbruggetjes
Een vrouw die een tas vasthoudt met het label ‘ihr’ om ‘haar’ te betekenen
klinkt als Engels ‘ear’