pronoun
ik
A1
ich is het persoonlijke voornaamwoord van de eerste persoon enkelvoud in de nominatief: „ik”. Vormen: ich, mich (acc.), mir (dat.), meiner (gen.). Het staat als onderwerp en wordt normaal met kleine letter geschreven, behalve aan het begin van een zin.
Voorbeelden
Ich komme später.
Ik kom later.
Das Wort 'ich' stand in der Abschrift, nachdem der Angestellte es geschrieben hatte.
Het woord 'ich' stond in de transcriptie nadat de medewerker het had geschreven.
Details
Ezelsbruggetjes
Wijs naar jezelf terwijl je « ich » zegt
Klinkt als het korte Engelse «ich» (geen directe klankovereenkomst) — onthoud dat het het eerste-persoonsvoornaamwoord is
Opmerkingen
« Ich » is het persoonlijke voornaamwoord van de eerste persoon enkelvoud in de nominatief.