noun
hoed, pet
B1
Hut — mannelijk zelfstandig naamwoord: ‘hoed’, een hoofddeksel. Meervoud: Hüte, onregelmatig met umlaut. Verbuiging: der Hut, die Hüte, des Hutes. Het meervoud heeft u → ü en -e. Wordt letterlijk gebruikt en ook in uitdrukkingen.
Voorbeelden
Die Touristin setzte sich den Hut ab, als sie den Tempel betrat, weil dort das Tragen von Kopfbedeckungen unüblich war.
De toeriste zette haar hoed af toen ze de tempel binnenging, omdat het daar ongebruikelijk was om hoofddeksels te dragen.
Ich trage einen Hut.
Ik draag een hoed.
Im Sommer trug sie einen leichten Hut gegen die Sonne.
In de zomer droeg ze een lichte hoed tegen de zon.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een eenvoudige hoed op iemands hoofd voor — kort en rond: een ‘Hut’.
mannelijk — ‘der Hut’ (denk aan een mannenhoed).
Opmerkingen
Veelvoorkomend alledaags zelfstandig naamwoord voor hoofddeksel; het meervoud is ‘Hüte’.