verb
heten, betekenen
A1
heißen is een onregelmatig gemengd werkwoord en betekent „heten” of „genoemd worden”; in uitdrukkingen als das heißt ook „dat wil zeggen”. Präteritum: hieß; voltooid deelwoord: geheißen. Het gebruikt haben, is niet reflexief en niet scheidbaar.
Voorbeelden
Dieses Wort heißt auf Englisch 'to be called'.
Dit woord betekent in het Engels 'to be called'.
Er hieß Peter.
Hij heette Peter.
Ich habe früher so geheißen.
Ik heette vroeger zo.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat iemand wijst en zegt: 'Jij heet ...' — heißen = heten
Klinkt als Engels 'hiss' — denk aan je naam aankondigen met een sis? (grappige link)
Opmerkingen
Veelgebruikt werkwoord om iemands naam aan te geven. Perfectum met 'haben' (hat geheißen). | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.