verb
geloven, denken (dat)
A1
glauben betekent ‘geloven’ of ‘denken dat’. Het is een zwak, regelmatig werkwoord; voltooid deelwoord: geglaubt, met hebben in de voltooide tijden (ich habe geglaubt). Vaak met an + accusatief: an jemanden/etwas glauben = in iemand/iets geloven. Niet wederkerig.
Voorbeelden
Ich glaube dir.
Ik geloof je.
Ich glaube, dass das richtig ist.
Ik denk dat dat juist is.
Er glaubte an das Gute.
Hij geloofde in het goede.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die zijn ogen sluit en een verhaal gelooft.
glauben ~ 'globe-ben' — stel je voor dat je naar een globe knikt om te laten zien dat je het gelooft.
Opmerkingen
Wordt vaak gebruikt met een bijzin ingeleid door 'dass'. Regelmatig zwak werkwoord.