noun
huis, thuis, woning
A1
Haus is een onzijdig zelfstandig naamwoord en betekent ‘huis’ of ‘thuis’. Enkelvoud: das Haus; onregelmatig meervoud: die Häuser. Het woord komt vaak voor in samenstellingen zoals Hausaufgabe en Hausarzt, en in de uitdrukking zu Hause = ‘thuis’. Genitief: des Hauses.
Voorbeelden
Nachdem die Fenster des Hauses erneuert wurden, beschlossen die Nachbarn, auch das Dach reparieren zu lassen.
Nadat de ramen van het huis waren vernieuwd, besloten de buren ook het dak te laten repareren.
Ich habe ein Haus.
Ik heb een huis.
Das Haus hat einen großen Garten.
Het huis heeft een grote tuin.
Details
Ezelsbruggetjes
Zie een eenvoudig huis met een schuin dak voor je wanneer je ‘Haus’ hoort.
Klinkt als het Engelse ‘house’.
das = onzijdig: stel je een simpele doos (een gebouw) voor in plaats van een ‘hij’ of ‘zij’.
Opmerkingen
Onzijdig zelfstandig naamwoord; meervoud meestal ‘Häuser’. Wordt vaak gebruikt voor gebouwen en ook in samenstellingen.