noun
eenpersoonskamer
A1
‘Einzelzimmer’ betekent een eenpersoonskamer, meestal in een hotel of pension. Het is een onzijdig samengesteld woord: ‘das Einzelzimmer’. Het meervoud blijft gelijk: ‘die Einzelzimmer’. Genitief enkelvoud: ‘des Einzelzimmers’.
Voorbeelden
Für meine Reise habe ich ein Einzelzimmer im Hotel gebucht.
Voor mijn reis heb ik een eenpersoonskamer in het hotel geboekt.
Der Tourist buchte ein Einzelzimmer, nachdem er erfahren hatte, dass das Hotel voll war, damit er am nächsten Morgen ausgeruht reisen konnte.
De toerist boekte een eenpersoonskamer nadat hij had vernomen dat het hotel vol was, zodat hij de volgende ochtend uitgerust kon reizen.
Ich buche ein Einzelzimmer für eine Nacht.
Ik boek een eenpersoonskamer voor één nacht.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je één persoon alleen voor in een kleine hotelkamer met een eenpersoonsbed en een bordje ‘Einzelzimmer’ op de deur
Klinkt als ‘single’ + ‘zimmer’ (Duits voor kamer)
das = denk aan een kleine, onzijdige kamer (das Zimmer) — Einzelzimmer is onzijdig