noun
oproep, telefoontje
A1
Anruf is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent „telefoontje” of „oproep”. Meervoud: Anrufe. Genitief: des Anrufs. Veelgebruikte combinaties: einen Anruf bekommen/erhalten, einen Anruf tätigen. Vaak in alledaagse en zakelijke context.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Ich habe einen Anruf verpasst.
Ik heb een oproep gemist.
Der Sekretär nahm den Anruf entgegen, obwohl er gerade beschäftigt war.
De secretaris nam de oproep aan, hoewel hij op dat moment bezig was.
Ich erwarte einen wichtigen Anruf.
Ik verwacht een belangrijk telefoontje.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een rinkelende telefoon voor met een klein label waarop 'Anruf' staat.
Klinkt als 'on roof' — stel je een telefoon voor die op een dak rinkelt.
der = stel je een man (der) voor die de telefoon opneemt bij 'Anruf'.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Veelgebruikt in contexten met telefoons en berichten.