verb
gebeuren, plaatsvinden, zich voordoen
B1
geschehen is een sterk, onovergankelijk werkwoord en betekent ‘gebeuren’, ‘plaatsvinden’ of ‘zich afspelen’. In het perfekt gebruikt het sein: ist geschehen. Verleden tijd: geschah; het voltooid deelwoord is gelijk aan de infinitief: geschehen. Geen lijdend voorwerp.
Voorbeelden
Das geschah vor langer Zeit.
Dat gebeurde lang geleden.
Es ist ein Wunder geschehen.
Er is een wonder gebeurd.
Es geschah ein Unfall, weil der Fahrer in der Kurve zu schnell fuhr.
Er gebeurde een ongeluk omdat de bestuurder in de bocht te hard reed.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een klein tafereel voor dat zich op een podium ontvouwt — je ziet gebeurtenissen «gebeuren» in de spotlights.
klinkt als «guh-SHAY-en» — denk aan «go shay in» om te onthouden dat iets gebeurt.
Opmerkingen
Onpersoonlijk in normaal gebruik (vaak gebruikt als «es geschieht»). Gebruikt «sein» als hulpwerkwoord in de voltooide tijd («ist geschehen»). Persoonsvormen anders dan de onpersoonlijke 3e persoon enkelvoud zijn niet van toepassing; passieve constructies en imperatieven zijn niet van toepassing op dit onpersoonlijke werkwoord.