noun
cadeau, geschenk
A1
Geschenk is een onzijdig zelfstandig naamwoord en betekent ‘cadeau’ of ‘geschenk’. Meervoud: Geschenke. Genitief enkelvoud: des Geschenks. Veelgebruikte combinatie: jemandem ein Geschenk machen, waarbij de ontvanger in de datief staat. Regelmatige verbuiging.
Voorbeelden
Als die Mutter die Kerzen ausblies, öffneten die Kinder das Geschenk.
Toen de moeder de kaarsen uitblies, openden de kinderen het cadeau.
Ich habe ein Geschenk bekommen.
Ik heb een cadeau gekregen.
Das war ein schönes Geschenk.
Dat was een mooi cadeau.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een mooi ingepakt doosje voor met een grote 'G' erop — de 'G' staat voor Geschenk (een cadeau).
klinkt als 'guest shank' — stel je een gast voor die een cadeau in de vorm van een 'shank' geeft (gek beeld om 'Geschenk' te onthouden).
Das Geschenk — stel je een neutrale cadeaudoos voor met 'das' erop om het onzijdige lidwoord te onthouden.
Opmerkingen
Collocations courantes : « ein Geschenk geben » ou « jemandem ein Geschenk machen ». Le pluriel est « Geschenke ». « Geschenk » est neutre (das).