noun
winkel, zaak, bedrijf
A1
Geschäft (das) betekent ‘winkel’, ‘bedrijf’ of informeel ‘deal / zaak’. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord, meervoud Geschäfte. Verbuiging regelmatig: des Geschäfts. Veelgebruikte combinaties: ins Geschäft gehen, ein Geschäft machen.
Voorbeelden
Das Geschäft öffnet jeden Morgen um neun.
De winkel opent elke ochtend om negen uur.
Im Einkaufszentrum gibt es viele Geschäfte.
Er zijn veel winkels in het winkelcentrum.
Die Kunden verließen das Geschäft, nachdem der Strom ausfiel.
De klanten verlieten de winkel nadat de stroom uitviel.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een etalagebord voor met ‘Geschäft’.
Geschäft → ‘ge-shaft’; denk aan een winkel/voorraad goederen.
das → denk aan ‘das Geschäft’ (de winkel).
Opmerkingen
Kan een fysieke winkel betekenen of een bedrijf in bredere zin. De context bepaalt de vertaling.