Geschäft

noun
winkel, zaak, bedrijf
A1

Geschäft (das) betekent ‘winkel’, ‘bedrijf’ of informeel ‘deal / zaak’. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord, meervoud Geschäfte. Verbuiging regelmatig: des Geschäfts. Veelgebruikte combinaties: ins Geschäft gehen, ein Geschäft machen.

Voorbeelden

Das Geschäft öffnet jeden Morgen um neun.
De winkel opent elke ochtend om negen uur.
Im Einkaufszentrum gibt es viele Geschäfte.
Er zijn veel winkels in het winkelcentrum.
Die Kunden verließen das Geschäft, nachdem der Strom ausfiel.
De klanten verlieten de winkel nadat de stroom uitviel.

Details

MeervoudGeschäfte

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativedas Geschäftdie Geschäfte
genitivedes Geschäftsder Geschäfte
dativedem Geschäftden Geschäften
accusativedas Geschäftdie Geschäfte

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een etalagebord voor met ‘Geschäft’.
👂Geschäft → ‘ge-shaft’; denk aan een winkel/voorraad goederen.
⚧️das → denk aan ‘das Geschäft’ (de winkel).

Opmerkingen

Kan een fysieke winkel betekenen of een bedrijf in bredere zin. De context bepaalt de vertaling.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek