noun
verkoper, verkoopster, verkoper in de winkel
A1
Verkäufer betekent ‘verkoper’ of ‘verkoopmedewerker’. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Verkäufer, meervoud die Verkäufer. Reguliere verbuiging: des Verkäufers, dem Verkäufer. Veel gebruikt in handel en klantenservice.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Der Verkäufer im Supermarkt war sehr hilfsbereit.
De verkoper in de supermarkt was erg behulpzaam.
Der Verkäufer hat mir bei der Auswahl geholfen.
De verkoper heeft me geholpen bij het kiezen.
Der Kunde beschwerte sich beim Verkäufer, weil das Gerät schon nach einer Woche kaputtging.
De klant klaagde bij de verkoper omdat het apparaat al na een week kapotging.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een winkelmedewerker voor die een product aan een klant geeft met het label ‘Verkäufer’.
Klinkt als ‘verk-ei-fer’ — stel je iemand voor die luid ‘verkoopt’.
der — denk aan ‘der Verkäufer’ (mannelijk).
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Kan een verkoper of verkoopmedewerker betekenen; de vrouwelijke vorm is ‘Verkäuferin’.