verb
gebruiken, aanwenden
B1
gebrauchen betekent ‘gebruiken’ of ‘zich bedienen van’. Het is een regelmatig zwak werkwoord, niet scheidbaar, met haben in het perfect: hat gebraucht. In sommige contexten klinkt het formeler dan nutzen. Komt ook voor in de lijdende vorm.
Voorbeelden
Ich gebrauche dieses Werkzeug oft.
Ik gebruik dit gereedschap vaak.
Ich gebrauche das alte Messer, um das Paket zu öffnen.
Ik gebruik het oude mes om het pakket te openen.
Der Handwerker gebrauchte das alte Werkzeug, weil die neue Lieferung verspätet angekommen war.
De vakman gebruikte het oude gereedschap omdat de nieuwe levering te laat was aangekomen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die naar een gereedschap grijpt en zegt: «Gebruik het!» — label de handeling «gebrauchen».
Klinkt als «behave» maar met een g — «gebrauchen» => «gebruiken».
Opmerkingen
«gebrauchen» is een regelmatig (zwak) werkwoord dat «gebruiken» betekent en in sommige contexten iets formeler is dan «benutzen». Het wordt zowel letterlijk als figuurlijk gebruikt (bijv. «etwas gebrauchen können» = iets kunnen gebruiken).