gebrauchen

verb
gebruiken, aanwenden
B1

gebrauchen betekent ‘gebruiken’ of ‘zich bedienen van’. Het is een regelmatig zwak werkwoord, niet scheidbaar, met haben in het perfect: hat gebraucht. In sommige contexten klinkt het formeler dan nutzen. Komt ook voor in de lijdende vorm.

Voorbeelden

Ich gebrauche dieses Werkzeug oft.
Ik gebruik dit gereedschap vaak.
Ich gebrauche das alte Messer, um das Paket zu öffnen.
Ik gebruik het oude mes om het pakket te openen.
Der Handwerker gebrauchte das alte Werkzeug, weil die neue Lieferung verspätet angekommen war.
De vakman gebruikte het oude gereedschap omdat de nieuwe levering te laat was aangekomen.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es gebraucht
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es gebrauchte
Perfekter/sie/es hat gebraucht

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je iemand voor die naar een gereedschap grijpt en zegt: «Gebruik het!» — label de handeling «gebrauchen».
👂Klinkt als «behave» maar met een g — «gebrauchen» => «gebruiken».

Opmerkingen

«gebrauchen» is een regelmatig (zwak) werkwoord dat «gebruiken» betekent en in sommige contexten iets formeler is dan «benutzen». Het wordt zowel letterlijk als figuurlijk gebruikt (bijv. «etwas gebrauchen können» = iets kunnen gebruiken).

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichgebrauche
dugebrauchst
er/sie/esgebraucht
wirgebrauchen
ihrgebraucht
sie/Siegebrauchen
ichwerde gebraucht
duwirst gebraucht
er/sie/eswird gebraucht
wirwerden gebraucht
ihrwerdet gebraucht
sie/Siewerden gebraucht
ichgebrauche
dugebrauchest
er/sie/esgebrauche
wirgebrauchen
ihrgebrauchet
sie/Siegebrauchen
ichwerde gebraucht
duwerdest gebraucht
er/sie/eswerde gebraucht
wirwerden gebraucht
ihrwerdet gebraucht
sie/Siewerden gebraucht
ichgebrauchte
dugebrauchtest
er/sie/esgebrauchte
wirgebrauchten
ihrgebrauchtet
sie/Siegebrauchten
ichwürde gebraucht
duwürdest gebraucht
er/sie/eswürde gebraucht
wirwürden gebraucht
ihrwürdet gebraucht
sie/Siewürden gebraucht
duGebrauche!
ihrGebraucht!
Siegebrauchen!