noun
gast, bezoeker
A1
Gast (der) betekent „gast” of „bezoeker”, afhankelijk van de context. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord met meervoud die Gäste, met umlaut en -e. Genitief enkelvoud: des Gastes.
Voorbeelden
Ich habe Gäste.
Ik heb gasten.
Der Gast wartet an der Rezeption.
De gast wacht bij de receptie.
Wir hatten gestern viele Gäste im Museum.
We hadden gisteren veel bezoekers in het museum.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een persoon voor bij de deur met een koffer met het label «GAST», die aankomt op een feest.
Klinkt als het Engelse «guest» — identiek woord in beide talen.
Onthoud «der» door aan «door» te denken (beide beginnen met d): beeld je een gast bij de deur in om der Gast te onthouden.
Opmerkingen
Meervoud is Gäste. De genitief enkelvoud is meestal des Gastes (ook des Gasts in sommige gebruiken). Veelvoorkomende combinaties: «ein Gast», «die Gäste», «Hotelgast», «Stammgast» (vaste gast). Wordt breed gebruikt voor hotelgasten, feestgasten of bezoekers.