Gast

noun
gast, bezoeker
A1

Gast (der) betekent „gast” of „bezoeker”, afhankelijk van de context. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord met meervoud die Gäste, met umlaut en -e. Genitief enkelvoud: des Gastes.

Voorbeelden

Ich habe Gäste.
Ik heb gasten.
Der Gast wartet an der Rezeption.
De gast wacht bij de receptie.
Wir hatten gestern viele Gäste im Museum.
We hadden gisteren veel bezoekers in het museum.

Details

MeervoudGäste

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativeder Gastdie Gäste
genitivedes Gastesder Gäste
dativedem Gastden Gästen
accusativeden Gastdie Gäste

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een persoon voor bij de deur met een koffer met het label «GAST», die aankomt op een feest.
👂Klinkt als het Engelse «guest» — identiek woord in beide talen.
⚧️Onthoud «der» door aan «door» te denken (beide beginnen met d): beeld je een gast bij de deur in om der Gast te onthouden.

Opmerkingen

Meervoud is Gäste. De genitief enkelvoud is meestal des Gastes (ook des Gasts in sommige gebruiken). Veelvoorkomende combinaties: «ein Gast», «die Gäste», «Hotelgast», «Stammgast» (vaste gast). Wordt breed gebruikt voor hotelgasten, feestgasten of bezoekers.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek