adjective
gaarput, klaar
B1
gar betekent bij eten ‘gaarput’, ‘goed gaar’ of ‘klaar om te eten’. Het is niet trapbaar en geen voltooid deelwoord. Je gebruikt het vooral bij gerechten: Das Fleisch ist gar. In sommige contexten kan het ook als versterkend woord voorkomen.
Voorbeelden
Das Fleisch ist jetzt gar.
Het vlees is nu gaar.
Das Gemüse war gar, obwohl die Köchin die Garzeit verkürzte.
De groenten waren gaar, hoewel de kok de kooktijd verkortte.
Der Braten ist gar und kann serviert werden.
Het gebraad is gaar en kan worden geserveerd.
Details
Ezelsbruggetjes
Imaginez un rôti avec un thermomètre indiquant qu’il est parfaitement cuit.
Pensez à « gar » comme dans « garnish » (nourriture) pour retenir le sens culinaire.
Opmerkingen
En contexte culinaire, « gar » signifie « cuit » ou « prêt » (entièrement préparé). Il n’est pas gradable de la manière habituelle (on ne dirait pas *garer).