adjective
overgebleven, restant, over
B1
übrig betekent ‘overig’, ‘overgebleven’ of ‘restant’. Het is een bijvoeglijk naamwoord dat vooral predicatief wordt gebruikt: etwas ist übrig, of met bleiben: übrig bleiben. Niet te vergelijken. Kan ook als zelfstandig naamwoord voorkomen: das Übrige = de rest.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Wenn am Monatsende etwas Geld übrig ist, lege ich es aufs Sparkonto.
Als er aan het einde van de maand wat geld over is, zet ik het op mijn spaarrekening.
Von dem Kuchen ist noch ein Stück übrig.
Er is nog één stuk cake over.
Als die Feier endete, blieb noch Kuchen übrig, weil viele Gäste früh gingen.
Toen het feest afgelopen was, bleef er nog cake over omdat veel gasten vroeg vertrokken.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een klein bordje voor met ‘übrig’ en een overgebleven stuk taart.
Denk aan ‘you-brig’ — ‘you bring’ wat over is.