adjective
heel, geheel, volledig
A2
ganz betekent als bijvoeglijk naamwoord ‘heel’ of ‘geheel’, en als bijwoord ‘helemaal’ of ‘volledig’. Voor een zelfstandig naamwoord drukt het totaliteit uit: das ganze Haus. Als bijwoord versterkt het vaak een ander woord: ganz schön.
Voorbeelden
Das ganze Dorf feierte das Fest.
Het hele dorp vierde het feest.
Der Plan war ganz klar, obwohl einige Details später geändert wurden.
Het plan was helemaal duidelijk, hoewel sommige details later werden gewijzigd.
Er ist ganz zufrieden mit dem Ergebnis.
Hij is helemaal tevreden met het resultaat.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een taart voor waar geen enkel stukje van ontbreekt — die is ‘ganz’ (heel).
Klinkt een beetje als het Engelse ‘guns’ — stel je het geheel (ganz) intact voor.
Opmerkingen
Als bijvoeglijk naamwoord kan het ‘heel’ of ‘geheel’ betekenen; bijwoordelijk betekent het vaak ‘volledig’.