ganz

adjective
heel, geheel, volledig
A2

ganz betekent als bijvoeglijk naamwoord ‘heel’ of ‘geheel’, en als bijwoord ‘helemaal’ of ‘volledig’. Voor een zelfstandig naamwoord drukt het totaliteit uit: das ganze Haus. Als bijwoord versterkt het vaak een ander woord: ganz schön.

Voorbeelden

Das ganze Dorf feierte das Fest.
Het hele dorp vierde het feest.
Der Plan war ganz klar, obwohl einige Details später geändert wurden.
Het plan was helemaal duidelijk, hoewel sommige details later werden gewijzigd.
Er ist ganz zufrieden mit dem Ergebnis.
Hij is helemaal tevreden met het resultaat.

Details

VergelijkbaarJa
Vergrotende trapganzer / ganz(er) (context-dependent)
Overschrijvende trapam ganzsten / am allermeisten ganz (colloquial; usage varies)
Voltooid deelwoordNee

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een taart voor waar geen enkel stukje van ontbreekt — die is ‘ganz’ (heel).
👂Klinkt een beetje als het Engelse ‘guns’ — stel je het geheel (ganz) intact voor.

Opmerkingen

Als bijvoeglijk naamwoord kan het ‘heel’ of ‘geheel’ betekenen; bijwoordelijk betekent het vaak ‘volledig’.

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek