adjective
flexibel, soepel
B1
flexibel — bijvoeglijk naamwoord: ‘flexibel’, ‘aanpasbaar’ of ‘veelzijdig’. Het beschrijft iemand, een rooster, materiaal of aanpak die zich makkelijk laat aanpassen. Vergelijkend: flexibler; overtreffend: am flexibelsten. Tegenstellingen: unflexibel, starr. Attributief en predicatief.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Sie ist sehr flexibel und kann im Homeoffice arbeiten.
Ze is erg flexibel en kan thuiswerken.
Unsere Pläne sind flexibel, falls etwas Unerwartetes passiert.
Onze plannen zijn flexibel voor het geval er iets onverwachts gebeurt.
Der Trainer war flexibel, sodass er das Training verschob, weil das Wetter sehr schlecht wurde.
De trainer was flexibel, zodat hij de training uitstelde omdat het weer erg slecht werd.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een elastiek voor dat gemakkelijk uitrekt om verschillende vormen aan te nemen.
flexibel lijkt op het Engelse «flexible» — ze lijken op elkaar in spelling en klank.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Flexibel wordt vaak gebruikt om mensen, schema’s of systemen te beschrijven die gemakkelijk kunnen veranderen. Vergrotende en overtreffende trap volgen de gewone patronen.