verb
zeker zijn, vaststaan, beslist zijn
B1
feststehen is een sterk, scheidbaar werkwoord met de betekenis ‘vaststaan’, ‘zeker zijn’ of ‘vastgelegd zijn’. In de tegenwoordige tijd: es steht fest. Voltooid tijd: hat festgestanden. Präteritum: stand, voltooid deelwoord: festgestanden. Niet wederkerig; vaak bij feiten en besluiten.
Voorbeelden
Es stand fest, dass er gehen musste.
Het stond vast dat hij weg moest.
Der Termin steht fest; wir müssen ihn einhalten.
De afspraak staat vast; we moeten ons eraan houden.
Es steht fest, dass wir reisen.
Het staat vast dat we zullen reizen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een rooster voor dat aan een bord is vastgespijkerd, zodat het ‘vast staat’ — het is zeker en vastgelegd.
Denk aan „fest” als Engels „fast” + „stand” — stel je iets voor dat stevig op zijn plaats staat.
Opmerkingen
Scheidbaar werkwoord: in vervoegde vormen gaat het voorvoegsel „fest” naar het einde (bijv. „steht fest”). Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing (geen object dat gepassiveerd kan worden). Gebruikt „haben” als hulpwerkwoord in de voltooide tijden. Konjunktiv I Präteritum: niet van toepassing — Konjunktiv I wordt gevormd op basis van de tegenwoordige tijd en het verleden wordt meestal omschrijvend uitgedrukt (Perfekt).