feststehen

verb
zeker zijn, vaststaan, beslist zijn
B1

feststehen is een sterk, scheidbaar werkwoord met de betekenis ‘vaststaan’, ‘zeker zijn’ of ‘vastgelegd zijn’. In de tegenwoordige tijd: es steht fest. Voltooid tijd: hat festgestanden. Präteritum: stand, voltooid deelwoord: festgestanden. Niet wederkerig; vaak bij feiten en besluiten.

Voorbeelden

Es stand fest, dass er gehen musste.
Het stond vast dat hij weg moest.
Der Termin steht fest; wir müssen ihn einhalten.
De afspraak staat vast; we moeten ons eraan houden.
Es steht fest, dass wir reisen.
Het staat vast dat we zullen reizen.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarJa
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
Stamveranderingene > a in Präteritum (stand); Partizip II formed with ge-: festgestanden

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es steht fest
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es stand fest
Perfekter/sie/es hat festgestanden

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een rooster voor dat aan een bord is vastgespijkerd, zodat het ‘vast staat’ — het is zeker en vastgelegd.
👂Denk aan „fest” als Engels „fast” + „stand” — stel je iets voor dat stevig op zijn plaats staat.

Opmerkingen

Scheidbaar werkwoord: in vervoegde vormen gaat het voorvoegsel „fest” naar het einde (bijv. „steht fest”). Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing (geen object dat gepassiveerd kan worden). Gebruikt „haben” als hulpwerkwoord in de voltooide tijden. Konjunktiv I Präteritum: niet van toepassing — Konjunktiv I wordt gevormd op basis van de tegenwoordige tijd en het verleden wordt meestal omschrijvend uitgedrukt (Perfekt).

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichstehe fest
dustehst fest
er/sie/essteht fest
wirstehen fest
ihrsteht fest
sie/Siestehen fest
ichstehe fest
dustehest fest
er/sie/esstehe fest
wirstehen fest
ihrstehet fest
sie/Siestehen fest
ichstünde fest
dustündest fest
er/sie/esstünde fest
wirstünden fest
ihrstündet fest
sie/Siestünden fest
dusteh fest
ihrsteht fest
Siestehen fest