verb
vallen, neervallen, laten vallen
A2
fallen betekent ‘vallen’ of ‘naar beneden vallen’. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord met klinkerwisseling a→ä in du/er, verleden tijd fiel en voltooid deelwoord gefallen. In het perfect gebruik je sein: ich bin gefallen. Niet wederkerend.
Voorbeelden
Der Schnee fiel leise.
De sneeuw viel zachtjes.
Er ist vom Stuhl gefallen.
Hij viel van de stoel.
Das Glas ist vom Tisch gefallen.
Het glas is van de tafel gevallen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een blad voor dat van een boom valt om «fallen» te onthouden.
Denk aan het Engelse «fall» — heel vergelijkbare betekenis.
Opmerkingen
Een onovergankelijk, sterk werkwoord. Gebruikt «sein» als hulpwerkwoord in de voltooide tijden (ist gefallen). Passief wordt doorgaans niet gebruikt omdat het werkwoord onovergankelijk is. | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing. De formele gebiedende wijs (Sie) wordt hier niet weergegeven omdat die het voornaamwoord «Sie» vereist, en voornaamwoorden zijn niet toegestaan in vervoegingswaarden.