adjective
individueel, enkel, afzonderlijk
A2
einzeln betekent ‘individueel’, ‘afzonderlijk’ of ‘los’. Het beschrijft iets of iemand apart genomen. Het is een trapbaar bijvoeglijk naamwoord: einzelner, am einzelsten. Tegenovergestelde: gemeinsam. Vaak attributief of predicatief gebruikt.
Voorbeelden
Er nahm nur ein einzelnes Stück Kuchen.
Hij nam maar één stuk cake.
Die Teile wurden einzeln geprüft, obwohl das Team wenig Zeit hatte, damit keine Fehler übersehen wurden.
De onderdelen werden afzonderlijk gecontroleerd, hoewel het team weinig tijd had, zodat er geen fouten over het hoofd werden gezien.
Jeder Schüler erhielt ein einzelnes Blatt Papier.
Elke leerling kreeg een apart vel papier.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je één persoon voor die apart van een menigte staat — dat is ‘einzeln’.
Klinkt als ‘in zell’ — stel je een enkele cel voor die één eenheid vertegenwoordigt.
Opmerkingen
Kan attributief en predicatief worden gebruikt. Benadrukt afzonderlijkheid.