Eis

noun
ijs, ijsje
A2

Eis is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Eis. Het betekent ofwel ‘ijs’ als bevroren water, of ‘ijs’ als toetje/ijsje; de context beslist. Meervoud is zeldzaam: die Eise, vaker zegt men die Eissorten. Genitief: des Eises.

Voorbeelden

Ich esse gerne Eis.
Ik eet graag ijs.
Das Eis schmilzt in der Sonne.
Het ijs smelt in de zon.
Zum Geburtstag gibt es dein liebstes Eis.
Voor je verjaardag is er je favoriete ijs.

Details

MeervoudEissorten (for varieties); rare plural: Eise

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativedas Eisdie Eissorten (common for varieties); rare: die Eise
genitivedes Eisesder Eissorten (common); rare: der Eise
dativedem Eisden Eissorten (common); rare: den Eisen
accusativedas Eisdie Eissorten (common); rare: die Eise

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een ijsco voor die smelt op een hete dag.
👂Klinkt als het Engelse „ice”.
⚧️das — denk aan „das” voor het onzijdig, zoals „das Wasser”, nog een onzijdig voedsel-/stofwoord.

Opmerkingen

Eis kan een niet-telbaar stofnaamwoord zijn (algemeen „ijs”) of in alledaags taalgebruik gebruikt worden voor „ijsje”/„ijs”. Het directe meervoud van de stof is zeldzaam („Eise”); sprekers gebruiken meestal „Eissorten” wanneer ze het over soorten ijs hebben. Het meervoud is daarom ongebruikelijk voor de stof zelf.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek