adjective
leeg, ledig
A2
leer is een bijvoeglijk naamwoord en betekent ‘leeg’ of ‘zonder inhoud’; bij formulieren of pagina’s ook ‘blank’. Vergelijkend: leerer; overtreffend: am leersten. Tegenstellingen: voll, besetzt. Vaak met sein of bleiben: Das Glas ist leer.
Voorbeelden
Der Vorrat wäre nicht leer gewesen, wenn die Lieferung pünktlich angekommen wäre.
De voorraad zou niet leeg zijn geweest als de levering op tijd was aangekomen.
Das Glas ist leer, kannst du es auffüllen?
Het glas is leeg, kun je het bijvullen?
Auf dem Formular ist ein großes leeres Feld, das ausgefüllt werden muss.
Op het formulier staat een groot leeg veld dat moet worden ingevuld.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een leeg glas («leer») voor zonder iets erin.
klinkt als het Engelse «leer» (zoals in «leer look») — stel je een lege plank voor.
Opmerkingen
De vergrotende en overtreffende trap worden gebruikt: leerer, am leersten. Vaak zowel letterlijk (lege container) als figuurlijk (lege agenda) gebruikt.