noun
indruk, impressie, impact
B1
Eindruck (der): mannelijk zelfstandig naamwoord met de betekenis ‘indruk’ of ‘effect’. Meervoud: Eindrücke. Vaak in de uitdrukking einen guten Eindruck machen. Regelmatige verbuiging, met umlaut in het meervoud.
Voorbeelden
Der Vortrag hinterließ den Eindruck, dass die Forschung noch viel Arbeit benötigte.
De lezing wekte de indruk dat het onderzoek nog veel werk nodig had.
Der erste Eindruck ist oft der wichtigste.
De eerste indruk is vaak de belangrijkste.
Der erste Eindruck war sehr positiv.
De eerste indruk was erg positief.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een grote stempel voor die een afbeelding in papier drukt — dat gestempelde beeld is een ‘Eindruck’.
klinkt als ‘in-druk’ — stel je het woord ‘druk’ voor (zoals ‘Druck’ = drukken).
der — stel je een man voor die een indruk stempelt om het mannelijke geslacht te onthouden.
Opmerkingen
Veelvoorkomende combinaties: ‘guten Eindruck machen’ (een goede indruk maken). Pas op voor valse vrienden: ‘Druck’ betekent druk, terwijl ‘Eindruck’ indruk betekent.