noun
echtgenoot, man, partner
A2
Ehepartner betekent echtgenoot of echtgenote: de persoon met wie je getrouwd bent. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Ehepartner; meervoud: die Ehepartner. De vrouwelijke vorm is Ehepartnerin. Neutraal en formeel, vaak gebruikt in officiële teksten.
Voorbeelden
Der Ehepartner hat gestern geholfen, das Formular auszufüllen.
De echtgenoot hielp gisteren met het invullen van het formulier.
Die Ärztin informierte den Ehepartner, nachdem die Untersuchungsergebnisse vorgelegen hatten, weil Entscheidungen getroffen werden mussten.
De arts informeerde de echtgenoot nadat de testresultaten beschikbaar waren, omdat er beslissingen moesten worden genomen.
Mein Ehepartner arbeitet in dieser Stadt.
Mijn partner werkt in deze stad.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je twee mensen voor die verbonden zijn met een trouwring-icoon.
Ehe- (huwelijk) + partner → echtgenoot.
der — mannelijke vorm (denk aan «der Mann» voor mannelijke echtgenoot).