noun
echtgenote, vrouw
A1
Ehefrau betekent ‘echtgenote’ of ‘vrouw van een man’. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Ehefrau, meervoud Ehefrauen. De verbuiging is regelmatig: der Ehefrau, den Ehefrauen. Het woord klinkt vrij formeel; in het dagelijks taalgebruik zegt men vaak Frau of Partnerin.
Voorbeelden
Der Arzt informierte den Mann, weil er die Ehefrau am Nachmittag besucht hatte.
De arts informeerde de man, omdat hij in de namiddag zijn vrouw had bezocht.
Meine Ehefrau ist Lehrerin.
Mijn vrouw is lerares.
Meine Ehefrau arbeitet Teilzeit.
Mijn vrouw werkt parttime.
Details
Ezelsbruggetjes
Denk aan ‘Ehe’ (huwelijk) + ‘frau’ (vrouw) — een getrouwde vrouw is een Ehefrau.
die — ‘frau’ (vrouw) herinnert je eraan dat het vrouwelijk is.
Opmerkingen
Formeel woord voor ‘vrouw/echtgenote’. Meervoud: Ehefrauen.