noun
echtpaar, gehuwd paar, man en vrouw
B1
Ehepaar betekent ‘echtpaar’ of ‘gehuwd stel’ als één geheel. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Ehepaar, meervoud die Ehepaare. De verbuiging is regelmatig: des Ehepaares, dem Ehepaar. Veel gebruikt in alledaagse en officiële taal.
Voorbeelden
Das ältere Ehepaar wohnt im Haus nebenan.
Het oudere echtpaar woont in het huis ernaast.
Das Ehepaar feiert heute seine goldene Hochzeit.
Het echtpaar viert vandaag zijn gouden bruiloft.
Der Reporter schrieb, dass die Helfer von einem Ehepaar unterstützt worden waren, obwohl die Straßen gesperrt gewesen waren.
De reporter schreef dat de hulpverleners waren ondersteund door een echtpaar, hoewel de straten waren afgesloten geweest.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je twee mensen voor die samen staan met een klein huis erachter — een echtpaar.
klinkt als ‘ee-peer’ — stel je een peer voor met twee helften (twee mensen).
das Ehepaar — onzijdig ‘das’ (denk aan ‘das Paar’ als geheugensteun).
Opmerkingen
Ehepaar wordt in het Duits vaak als één geheel beschouwd en krijgt meestal enkelvoudige congruentie (das Ehepaar ist...).