noun
oom
B1
Onkel (der): mannelijk zelfstandig naamwoord met de betekenis ‘oom’, dus de broer van een ouder of een aangetrouwde oom. Meervoud: Onkel; datief meervoud: Onkeln. Regelmatige verbuiging, veel gebruikt in familieverband.
Voorbeelden
Mein Onkel wohnt in Berlin.
Mijn oom woont in Berlijn.
Die Familie besuchte den Onkel im Krankenhaus, weil das Haus sonst leer geblieben wäre.
De familie bezocht de oom in het ziekenhuis, omdat het huis anders leeg zou zijn gebleven.
Mein Onkel wohnt in Amerika.
Mijn oom woont in Amerika.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je oom de deur opent en ‘Onk-el’ zegt terwijl hij vriendelijk zwaait.
klinkt als het Engelse ‘uncle’ — Onkel = oom.
der — denk aan een mannelijke oom (mannelijk persoon).
Opmerkingen
Veelvoorkomend familiewoord. Het meervoud is meestal hetzelfde als het enkelvoud (die Onkel). Gebruikt in alledaagse contexten voor familieleden.