noun
dak
B1
Dach is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Dach, meervoud die Dächer. Het betekent ‘dak’, de bovenste bedekking van een huis of gebouw. In het meervoud komt een umlaut voor. Het woord zit ook in samenstellingen zoals Dachboden en Dachfenster. Gewone verbuiging.
Voorbeelden
Die Firma reparierte das Dach, nachdem der Sturm es beschädigte.
Het bedrijf repareerde het dak nadat de storm het had beschadigd.
Das Dach des Hauses ist rot.
Het dak van het huis is rood.
Wir haben das Dach repariert.
We hebben het dak gerepareerd.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je de silhouet van een eenvoudig huis voor met een duidelijk driehoekig dak, gelabeld ‘Dach’.
Klinkt als het Engelse ‘dock’ (denk aan een dokdak) — maar onthoud: ‘Dach’ = dak.
das — stel je voor dat je ‘das Haus’ zegt en naar het dak wijst: ‘das Dach’ (onzijdig).
Opmerkingen
Dach is een heel gewoon alledaags woord. Het meervoud is onregelmatig (Dächer) met een umlaut.