Dach

noun
dak
B1

Dach is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Dach, meervoud die Dächer. Het betekent ‘dak’, de bovenste bedekking van een huis of gebouw. In het meervoud komt een umlaut voor. Het woord zit ook in samenstellingen zoals Dachboden en Dachfenster. Gewone verbuiging.

Voorbeelden

Die Firma reparierte das Dach, nachdem der Sturm es beschädigte.
Het bedrijf repareerde het dak nadat de storm het had beschadigd.
Das Dach des Hauses ist rot.
Het dak van het huis is rood.
Wir haben das Dach repariert.
We hebben het dak gerepareerd.

Details

MeervoudDächer

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativedas Dachdie Dächer
genitivedes Dachesder Dächer
dativedem Dachden Dächern
accusativedas Dachdie Dächer

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je de silhouet van een eenvoudig huis voor met een duidelijk driehoekig dak, gelabeld ‘Dach’.
👂Klinkt als het Engelse ‘dock’ (denk aan een dokdak) — maar onthoud: ‘Dach’ = dak.
⚧️das — stel je voor dat je ‘das Haus’ zegt en naar het dak wijst: ‘das Dach’ (onzijdig).

Opmerkingen

Dach is een heel gewoon alledaags woord. Het meervoud is onregelmatig (Dächer) met een umlaut.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek