adverb
daar, toen
A1
Bijwoord van plaats of tijd: „daar” of „toen”. Het verwijst vaak naar een eerder genoemd moment of een eerder genoemde plek. De woordvolgorde is vrij; de context bepaalt of da „daar” of „toen” betekent.
Voorbeelden
Das Fahrrad blieb da stehen, nachdem der Reifen plötzlich platzte.
De fiets bleef daar staan nadat de band plotseling was geknapt.
Zuerst frühstückte er, da ging er zur Arbeit.
Eerst ontbeet hij, daarna ging hij naar zijn werk.
Da steht ein Stuhl.
Daar staat een stoel.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je naar een plek wijst en «da!» zegt (daar).
Klinkt als het Engelse «da» als een kort aanwijzend woord voor «daar».
Opmerkingen
Als bijwoord betekent «da» vaak «daar» (plaats) of «toen» (tijd); het heeft in het Duits ook extra gebruik met voorzetsels (daran, dabei, daneben, enz.).