gut

adjective
goed
A1

gut betekent ‘goed’ en kan ook als bijwoord ‘goed’ betekenen. Onregelmatige vergelijking: besser; overtreffende trap: am besten. Heel frequent in alledaagse uitdrukkingen zoals es geht mir gut. Tegenstellingen: schlecht, böse, schlimm.

Voorbeelden

Die Mannschaft spielte gut, obwohl der Trainer krank war.
Het team speelde goed, hoewel de coach ziek was.
Das Essen ist gut.
Het eten is goed.

Details

VergelijkbaarJa
Vergrotende trapbesser
Overschrijvende trapam besten
Voltooid deelwoordNee