noun
restaurant, eethuis
A1
Restaurant (o.) betekent ‘restaurant’, een plek om te eten. Onzijdig zelfstandig naamwoord: das Restaurant; meervoud: Restaurants. Regelmatige verbuiging. Veelgebruikte uitdrukkingen: ins Restaurant gehen, ein Restaurant buchen. Vaak in menu’s, reisgidsen en alledaagse taal.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Wir essen heute Abend im Restaurant.
We eten vanavond in het restaurant.
Am Abend gingen die Freunde ins Restaurant, weil sie großen Hunger hatten.
's Avonds gingen de vrienden naar het restaurant, omdat ze erg honger hadden.
Wir gehen heute Abend in ein italienisches Restaurant.
We gaan vanavond naar een Italiaans restaurant.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
een bord ‘Restaurant’ bij de ingang met tafels buiten
hetzelfde als Engels ‘restaurant’ — identieke betekenis
das (onzijdig): stel je een neutraal menu voor met ‘das Restaurant’ bovenaan
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Ontleend aan het Frans; het meervoud is vaak ‘Restaurants’.